De mooie droom


Er was eens een klein meisje, en ze heette Julia. Ze woonde samen met haar moeder in een klein huisje in een groot bos. Op een dag wilde Julia een wandeling maken door het bos. Voorzichtig hoor, zei haar moeder, pas op voor de wilde dieren in het bos. Ach mama, zei Julia, ik ben niet bang voor de wilde dieren. En ze ging op pad. Al gauw kwam ze bij een splitsing in de weg. Welke kant moest ze op? Ze wist het niet. Ze deed iene miene mutte en ze ging links af. Daarna kwam ze weer bij een splitsing in de weg. Welke kant moest ze op? Ze wist het niet. En weer deed Julia iene miene mutte en ze ging rechts af.

Na een tijdje kwam ze bij een klein meertje. Goh, dacht Julia, dit meertje heb ik nog nooit gezien. En ze liep naar de waterkant toe. Wat een mooi meer! Het meer was helemaal groenblauw. Zo’n mooie kleur groenblauw had Julia nog nooit eerder gezien. Ze had een beetje dorst, dus ze deed haar beide handen in het water, maakte er een kommetje van en nam een slokje water.

Wat er daarna gebeurde, gebeurde als in een droom. Julia werd opgetild door een liefdevolle engel en samen dansten ze door de lucht. De engel was helemaal wit en straalde net als de zon. Julia voelde zich heel erg gelukkig. Ze dansten en zwierden en zwaaiden door de lucht. De engel zei na een tijdje, zo Julia, heb je genoeg gedanst lieve meid? En voorzichtig nam ze Julia bij de arm en samen belandden ze weer op de grond.


De engel legde haar neer in het zachte gras en Julia viel in slaap. Na een uurtje werd ze wakker. Ze gaapte en rekte zich uit. Wat had ze lekker geslapen en wat had ze fijn gedroomd. Ze probeerde zich de droom weer te herinneren. Ze had gedanst met een hele lieve engel! Wat een mooie droom. Julia stond op en wilde weer verder wandelen.

Maar wat zag Julia daar in het gras? Ze keek nog eens goed en zag een prachtige witte sjaal liggen. De sjaal straalde net als de zon. Julia bukte en pakte de sjaal op en deed hem om haar nek. Wat een zachte sjaal en wat rook hij lekker! Julia werd er helemaal gelukkig van. Maar toen ze zich realiseerde dat ze niet meer wist waar ze was en dat ze al heel ver weg was van huis, werd ze verdrietig. Och, huilde ze, ik wou dat ik weer thuis bij mijn lieve mama was. En voordat ze wist wat er gebeurde, zweefde ze door de lucht over het bos heen en belandde ze zachtjes in de tuin van haar huis.

Ze liep naar binnen en vloog haar moeder om de hals en riep, mama ik ben weer thuis! Maar lieve Julia, zei haar moeder, je bent helemaal niet weg geweest. Je hebt wel gezegd dat je wilde wandelen, maar je bent in de tuin op het gras in slaap gevallen. Julia zuchtte van opluchting en ademde diep uit. De wind van haar adem blies de prachtige witte sjaal omhoog die ze om haar nek had. De sjaal was heerlijk zacht en rook zo lekker!