|
Er was eens heel
lang geleden een draak en David was zijn naam. Hij woonde op een berg
met zijn vader en moeder. David groeide op als een grote draak, maar
op een dag moest hij ergens anders gaan wonen. Hij was te groot
geworden. Met een dikke knufffel en veel goede raad ging David op weg.
Hij liep en liep totdat avond was en hij heel in de verte licht zag
branden. Daar ging hij heen. Maar de mensen van dat dorpje waren bang
voor hem en jaagden hem weg. 'Ga weg jij lelijke draak, we moeten je
niet.'
Moe en verdrietig ging David weg om te slapen in het bos. Tegen de
ochtend werd David wakker van een hels kabaal. Boem Klets Bing Bats.
David schrok zich een hoedje wat was dat nu weer? Hij keek en keek nog
eens. Wat was dat? Een monster? Nee, het was ook een draak, net als
hij. Maar waarom had ze nou takken op haar hoofd en deksel van een pan
in haar poot en maakte daar een hels kabaal mee?
'Hee jij daar, wat ben je aan het doen?' riep David. 'Nou,' zei het
draakje, 'de mensen schrikken altijd zo leuk en gillen lekker hard.
Dan verveel ik mij niet zo. Ik ben maar alleen, zie je.
Ik heet Lissie, hoe heet jij?' 'David is mijn naam,' zei David. 'Maar
hoor eens, ik wil best wel je vriend zijn, maar dan moet op je
ophouden de mensen bang te maken.' 'Ok, goed,' zei Lissie en daar
gingen ze naar het dorp. 'Help help,' riepen de mensen en renden weg.
'Wacht, ren niet weg,' riepen David en Lissie. Een paar dapppere
mannen bleven staan. 'Wat willen jullie van ons?' vroegen ze. 'Wij
willen vrienden worden,' zeiden Lissie en David.
En weet je wat? Dat lukte ook nog. Ze maakte vuur voor de haard en het
fornuis. Ze joegen boeven weg en waren vrienden met iedereen uit het
dorp. En sSamen werden Lissie en David toch nog de meest gelukkige
draken van de hele wereld.
|